Mijn Verhalen

 

 

Hoe het óók kan.

NNG 53-55 een vergeten tijd?

Blauwe hap.

Veteraan of net niet.

Gewoon veteraan.

Reunies

De dienstplichtigen

Beloning Veteranen

MP bij het Korps

Gebakken marinier

Heel Gewoon

Marine Medaille

Het Landingsvaartuig

Wonen in Manokwari

Kazerneleven in NNG

Gedragsregels

Vijf jaar veteranendag

De Brief  

HOE HET ÓÓK KAN
Bij het zien van de beelden van de veteranendag was en ben ik er van overtuigd, dat daar een heel stuk voorbereiding aan vooraf is gegaan en dat het voortraject, v.w.b. de organisatie, geen sinecure is geweest. Ik denk hierbij aan de plechtigheden in Den Haag en de feestavond in Rotterdam. Voor de kijkers absoluut een goed gebracht ceremonieel en amusementsprogramma.

Formeel

De organisatie van deze veteranenaandacht verdienen daarmee een heus compliment. De vraag blijft echter of dit nu hetgeen is wat de veteranen echt willen als invulling van hun dag. De presentatie mag best wel voor het kijkerspubliek aantrekkelijk worden gemaakt, maar het moet niet het kernpunt van een veteranendag zijn. De status van veteraan komt toe aan een bepaalde doelgroep die, door vele decennia heen, is ontstaan en waar een eigen cultuur en filosofie aan is verbonden. 

Dit mag ons niet gebeuren

Vergeten Papoea strijders

Hinderlaag Meraukee

Ontoelaatbaar

De eerste vrouwlijke minister

Special Forces team

Brief aan Nationale Ombudsman

Radja Ampat

Om in de ziel van deze mensen te kunnen kijken, dient men het gedachtegoed van die groepering goed te beseffen en vooral te waarderen, om tot een goede invulling te komen voor het houden van een veteranendag. Het kan dan ook niet anders, dat organisatoren van zo'n dag zelf veteraan moeten zijn om tot goede resultaten te komen. Zij weten, als geen ander, wat er onder die mensen leeft en hoe ze een waardige invulling kunnen geven aan hun dag en waarbij de wensen, van iedere deelnemer, zoveel mogelijk gestalte krijgen. Het is van groot belang, dat in persoonlijke en vertrouwde gesprekken, iemand zijn persoonlijke gevoelen kan uiten tegen personen die hem begrijpen en die hij vertrouwd. Dit gebeurt dan in een ongedwongen sfeer, zonder poespas en zeker niet in aanwezigheid van vele officiële genodigden en autoriteiten die doorgaans de aandacht opeisen.

Officieel

Periodiek worden er landelijk reünies gehouden van diverse onderdelen van de krijgsmacht en waarbij de ontmoetingen plaats vinden in de sfeer, zoals ik die schets en die de veteraan ambieert. Deelnemers dragen daar zelf aan bij in de kosten, hetgeen nimmer tot problemen heeft geleid. Ook daar zijn, in beperkte mate, autoriteiten of genodigde aanwezig die daar-mee, vanuit hun achterban of functie, blijk van waardering willen geven. Er is dus niets tegen officiële gasten, maar als die het hoofdthema vormen en de veteranen alleen maar gelden als zaal of tribune-vulling, dan druist dat tegen de doelstelling in en gaat men de intentie van zo'n dag voorbij. Gewoon oude collega's ontmoeten en onder het genot van een hapje en een drankje van gedachten wisselen, dat is hetgeen wat de veteraan wil. Het moet voor hem een dagje uit zijn geweest, waar hij een jaar op kan teren om het daarna weer te herhalen.

Logistiek zijn de voorzieningen in Nederland ruim-schoots aanwezig waardoor, wat dat betreft, er geen problemen hoeven te zijn. Verspreidt men het dan ook nog landelijk, waardoor de deelnemers geen lange reizen behoeven te maken, dan komt men al een heel eind in de buurt van wat de veteraan wil. Bewezen is dat de organisatoren van de diverse reünies een goed aangevuld programma kunnen leveren, dus ik zie niet in, waarom dat nu ook niet zou kunnen.

Informeel

Wanneer dan ook nog, door de huidige regelgevers, een gedeelte van de gemaakte begroting van de eerste veteranen-dag, ter beschikking wordt gesteld aan deze opzet, dan is het financieel voor hen gunstiger en voor de veteraan prettiger.Laat men nu niet aankomen met het verhaal, dat dit,qua organisatie, niet mogelijk is want dat weiger ik te aanvaarden. Zou dat toch gebeuren dat moet men een andere werkcommissie instellen, uitsluitend bestaande uit veteranen en dan kan ik U verzekeren dat het wel kan.
Omdat over dit onderwerp in de veteranenwereld veel onvrede bestaat, meen ik, op mijn manier, hier uiting van begrip en solidariteit te tonen. Als veteraan, met kennis van de veteranencultuur, meen ik hier recht op te hebben. Nogmaals, zoals dikwijls gezegd: "oude vrienden vergeet men nimmer".

NIEUW-GUINEA 1953-1955 EEN VERGETEN TIJD?
Regelmatig bezoek ik reünies van veteranen en ik kan U verzekeren, dat ik dat met de meeste plezier doe. Het ontmoeten van oud collega's in ongedwongen sfeer geeft toch een stukje van samenhorigheid, verbondenheid en kameraadschap. Verhalen van toen en de belevenissen van nu staan dikwijls in een fel contrast. De vuurvreters van weleer zijn nu rustige op leeftijd gekomen mannen die gezamenlijk toch een stuk geschiedenis hebben geschreven. Ik had en heb nog steeds een groot respect voor deze mensen, zowel in persoon als in eenheid. Toch valt het mij wel eens op, dat het er op lijkt dat de Nieuw-Guinea periode alleen maar bestaan heeft uit de jaren 1961 en 62 en dat de voorafgaande jaren van ondergeschikt belang zijn geweest. Natuurlijk is het zo, dat de gewapende conflicten in 61 en 62 in hevigheid toenamen en dat het risicovolle ondernemingen waren om dat een halt toe te roepen. Niemand zal dat ontkennen. De persoonlijke belevenissen zullen bij velen nog op het netvlies geschreven staan. Dus, wat betreft respect en waardering, zijn dit de mensen die het verdiend hebben en het ook behoren te krijgen. Wat echter niet vergeten mag worden is, dat er al vele jaren daarvoor vele collega’s waren, die in Nieuw-Guinea hun sporen ruimschoots verdiend hadden en dat deden onder véél mindere goede omstandigheden dan de eerder genoemde groep, t.w. die van de jaren 61-62. De eenheden die b.v. in de jaren 1953-55 daar zaten hebben het gehele voortraject gedaan om de eenheden, die ná hen kwamen, het iets beter en comfortabeler te maken. Maar niet alleen dát, ook moest nog alles in kaart worden gebracht en de contacten met de plaatselijke bevolking hechter worden aangehaald.

Dat kon alleen maar door er op uit te trekken(patrouilles) en hard aan de infrastructuur te werken. Als u daarbij bedenkt, dat het woon- en leefklimaat bijzonder primitief was, de salariëring laag en de voeding niet overdadig, dan kunt U zich misschien een beeld vormen. Het slapen was in zelfgemaakte hutten van ruw hout en golfplaten. Als je daarin slaapt met 40 personen, dan lijkt het mij wel duidelijk. De dagelijkse kost was rijst met hachee uit blik met afwisselend snij- of sperziebonen, ook uit blik. Als broodbeleg was het vaste regel: haring in tomatensaus, kaas uit blik, cornedbeef en cervelaatworst. Ook deze producten waren.......uit blik. Verder waren er absoluut geen voorzieningen die het dagelijks leven een beetje konden veraangenamen.Koud drinken kreeg je één maal per dag bij de middagmaaltijd, mits de dieselcentrale niet was uitgevallen die nodig was, om de ijsblokken te maken voor de koude drank.

Zie hieronder de verschillen in onderkomen

1953-1955

1960-1962

Het gaat mij te ver om tot in de details te treden, maar neemt U nu echt van mij aan dat deze periode niet in verhouding stond tot de jaren 1961-62 . In de laatstgenoemde periode was alles stukken beter en was de waardering goed tot zeer goed, niet misplaatst. Het woon- en leefklimaat, dus op de kazerne, was prima, voeding gevarieerd en van relatief goede kwaliteit alsmede de eetgelegenheid. Koud drinken was op diverse punten op het terrein aanwezig en de medische en geestelijke gezondheidszorg functioneerde goed. Samenvattend was de tijd van 1953-55(of nog eerder) minder rooskleurig dan de periodes erna. Het is dáárom dat we goed beseffen dat de mensen van vóór 61-62 óók veteraan zijn en zelfs mogelijk, een grotere inbreng hebben gehad dan U in een betere tijd.

Vergeet niet dat deze mensen voor 18 maanden uitgezonden werden en dat volbrachten onder de meest primitieve omstandigheden en in de uiterste soberheid. Ik zei U al dat op reünies dit verschil wel eens opvallend is. Evenzo ben ik er van overtuigd dat niemand daar bewust aan mee doet en dat niemand die verschillen wil maken. Voor U en mij een signaal om daar eens méér aandacht aan te schenken om op die manier het begrip van samenhorigheid en eensgezindheid een juist gestalte te geven. U zult waarschijnlijk willen weten wie ik ben. Dat kan. Ik ben Hans Slijkhuis en heb van 1947 tot 1981 bij het Korps Mariniers gediend.
Ben nu Sergeant-majoor der mariniers bd en heb in alle, toen koloniale, gebiedsdelen ter wereld voor langere periode gediend waaronder twee maal in Nieuw Guinea t.w. van 1953-55 en van begin 1960 tot eind 62. Ik acht mij dan ook bevoegd om de verschillen, zoals aangegeven, te herkennen en te onderstrepen met een blijvend respect voor iedere veteraan en de daaraan verbonden kameraadschap.
Dat die kameraadschap echt bestaat kan ik U verzekeren. Na meer dan 50 jaar heb ik een collega uit die pionierstijd wederom ontmoet en de draad van toen weer opgepakt, alsof er geen oponthoud was geweest. Het is een oud pelotonsverpleger die voor zijn werk stond en de status van oud-marinier en veteraan, op een gepaste en waardige wijze uitdraagt en niet doet aan zelfingenomenheid. Nogmaals: ik weet de verschillen want ik was er zelf bij.

DE BLAUWE HAP
Zowel bij de marine, luchtmacht en landmacht zijn ze berucht om aan iets of iemand een bijnaam te geven. Men hoeft maar een iets te opvallende snor te hebben om voor de rest van je leven de bijnaam "de snor" te krijgen en te behouden. Ik geloof dat het niet nodig is om daar meer voorbeelden van te geven die aan het ontstaan ten grondslag liggen. Kenmerkend is het echter, dat bepaalde bijnamen de oorspronkelijke benaming, door veelvuldig gebruik, vervangen en in de dagelijkse taal worden "erkend".
Zo wordt de Lst. vervangen door
"de klep" met het eventuele aanduidingnummer van het vaartuig b.v. 7,8 of 9..

Klep 8

De openluchtbioscoop in het oude Soridokamp heette al snel "Kransnadrumski" vanwege de zitplaatsen die bestonden uit halve brandstofdrums en bleef die naam behouden in de nieuwe Soridokazerne.
Op het eiland Woendi bestond b.v. de "duiventil". Dat was het zelfgemaakte "hoofdgebouw" waar de officieren hun onderkomen hadden, alsmede de verbindingsdienst.

De in zee gesitueerde wc's noemde men maar "huize plons" aan welke naam m.i. geen uitleg nodig is. De "Keerkring" noemde men ook wel de kringspier , alhoewel dat voornamelijk door niet luchtmachters werd gedaan. Ik noem er zomaar een paar om even het geheugen op te frissen. Waar ik echter naar toe wil is het volgende. Tot de dag dat ik met pensioen ging, t.w. maart 1981 met 34 actieve dienstjaren, had ik nog nooit gehoord van een "blauwe hap". Ik weet inmiddels wel wat men hier mee bedoeld, maar het is m.i. geen term die binnen de krijgsmacht werd gebruikt

Daar sprak men gewoon over een nasigoreng, bami, rijsttafel of iets ludieker: een nasihap, maar nimmer over een blauwe hap. Ik heb dan ook het vermoeden, dat de voor mij nieuwe benaming is ontstaan nà 1981 en uitsluitend in de veteranencultuur voorkomt, omdat ik het alleen hoor, zij het niet te veel, bij reünies. In de daar voorafgaande uitnodigingen lees je het als iets als van zelfsprekend. Ik zou een aannemelijke reden kunnen geven waarom, zeker tot 1981 en de jaren daarvóór, de aanduiding van "blauwe hap" niet werd gebruikt. Het kan ook zo zijn dat ik mij niet genoeg op de gangbare bijnamen en terminologie heb toegelegd en dat 34 jaar dienen bij het Korps Mariniers nog niet toereikend genoeg is voor dit thema.
Hoe men het beestje ook mag noemen, de Indische eetcultuur is me nog steeds dierbaar.
Slamat makan!

Veteraan of net niet...
Wanneer men jaren lang lid is geweest van een sportvereniging en daar aan vele activiteiten heeft deelgenomen, komt er een tijd om het wat kalmer aan te doen zonder de band met de club te verliezen. Men wordt dan ingedeeld bij een daarvoor bestemde groep die men ook wel de veteranen noemt. Het trouwe lid wordt op die manier steeds bij de clubactiviteiten betrokken en wordt voorzien van een minder streng gereglementeerd stramien. Hij behoeft daarvoor geen wedstrijdspeler te zijn geweest die in diverse competitie’s de strijd aanging met zijn rivalen. Nee, hij wordt beschouwd als één van het geheel en als zodanig gewaardeerd. Afhankelijk van zijn of haar leeftijd wordt men dan ingedeeld in een klasse van veteraan. Dat kan zijn, wedstrijdveteraan of veteraan in de klasse 1,2 of 3. Een goede sporter, ongeacht zijn prestatie’s en geen wedstrijdsporter zijnde, krijgt de status van veteraan. Volkomen terecht. Door zijn inzet en plichtsbetrachting heeft hij het mede mogelijk gemaakt dat anderen, in wedstrijden prestaties konden leveren.

Ir zelf voortdurend “stand-by” staat om aan ernstoperatie’s deel te nemen. Dat is geen vrije tijdbesteding van hem, maar een beroepskeuze die hij voor een langere periode aank denk dat er weinig studie voor nodig is om dit te begrijpen. Ditzelfde verloop doet zich ook voor binnen de strijdkrachten met dit verschil, dat de z.g. leermeeste is gegaan, waarbij hij zich volledig van de consequentie’s bewust is. Wanneer hij nu echter op een leeftijd is gekomen, dat ook hij het wat kalmer aan kan doen, lees pensioen en heeft niet het “geluk” gehad, dat hij bij een ernstoperatie betrokken is geweest, dan houdt voor hem de erkenning op. Dit is iets dat voor die mensen onverteerbaar is en wat ook aan niemand is uit te leggen.

Hij is veteraan......

.....maar hij óók!

De persoon zelf zal heel goed begrijpen, dat hij geen oorlogsveteraan is en de reden waarom hoeft ook niemand aan hem uit te leggen, maar deze man heeft wel een dermate betrokkenheid met de strijdkrachten, dat de status van veteraan hem toekomt. Met ere zelfs. Velen van hen zijn zelfs onderscheiden met eremedaille c.q. lid in de orde van Oranje Nassau. Die kregen ze voor hun inzet, ook al was die nu net niet aan het “front”. Zo kom ik tot de conclusie, dat de status van veteraan toekomt aan iedere oudgediende en zij die in ernstoperatie’s hebben gezeten, mogen zich dan oorlogsveteraan noemen. In de literatuur en woordenboeken wordt het woord veteraan vertaald als, oud speler c.q.oud gediende uit het leger met voor de laatste categorie de eventuele toevoeging van oorlogsveteraan. Bij mijn onderdeel hanteerde men het gezegde: “oude vrienden vergeet men nimmer”. Ik weet héél zeker, dat dit ook bij de andere onderdelen zo was en is. Bedenkers van deze regelgeving denken daar waarschijnlijk anders over, maar die hebben mogelijk niet overal vrienden zitten. Denkt U s.v.p. niet, dat ik voor mezelf pleit, want ik voldoe aan alle eisen die gesteld zijn om veteraan te zijn. Echter met mij zijn er nog duizenden die dat ook doen en die, ten onrechte die status niet krijgen. Dit wilde ik even aan U kwijt.

GEWOON VETERAAN
In een reeds eerder ingezonden stukje heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat, in mijn perceptie en in die van vele andere, er maar één soort veteraan bestaat. Hoe ik daar over denk kunt u zien in het item: "veteraan of net niet" in deze rubriek. Daar moet ook niet aan getornd worden, maar worden bevorderd om dit te realiseren. Vele oud collega's zullen dit waarderen en dan eindelijk de status krijgen die ze verdiend hebben, maar vooral waarop zij recht hebben. In alle organisaties en groepsverbanden komt men perioden en leeftijdvariaties tegen, hetgeen inherent is aan het voortbestaan en het in stand houden van zo'n groepering. Ook bij de veteranen is dat het geval, hetgeen dan ook de aanleiding en reden is dat er jongere en oudere veteranen bestaan.

Door dat ik de ontwikkelingen, het wel en wee en de verwachtingen van de veteranen op een redelijke, goede manier blijf volgen, kan ik mij er niet altijd aan onttrekken, dat er binnen de veteranenwereld een verschil wordt gemaakt tussen de oudere en jongere veteranen, waarmee dan een tweedracht wordt gezaaid die er absoluut niet moet zijn. Berichtgeving op radio en televisie, alsmede publicaties van ingezonden artikelen door veteranen in diverse periodieken van onderdeelgebonden belangenverenigingen, geven hier meerdere malen blijk van.
 

Mannen van Eer

Als oud veteraan met 34 actieve dienstjaren, langdurig en meerdere malen gediend hebbend in alle daarvoor in aanmerking komende buitenlandse plaatsingen, moet ik tot mijn spijt waarnemen, dat die verschillen voornamelijk worden gemaakt door een beperkte groep oudere veteranen zelf.In persoonlijke gesprekken, op reünies, probeer ik er wel eens achter te komen wat daar de achterliggende gedachten bij zijn, maar tot heden is het mij nog niet duidelijk geworden. Niemand behoeft mij en gelijk-denkende uit te leggen, dat de periode van de oudere veteranen anders was dan die van de z.g. jongere veteraan. Naar de toen geldende omstandigheden was die tijd niet beter of slechter, maar anders. Sociale en maatschappelijke ontwikkelingen en de belangen-behartiging in het algemeen hebben hier een grote bijdrage aan geleverd en dat is alleen maar positief. Ik ben er van overtuigd, dat de z.g. jongere veteraan met volle overtuiging, motivatie en inzet, uitvoering heeft gegeven aan de hem opgedragen taak, net zo als U dat, als oudere veteraan, in het verre verleden ook heb gedaan.

Allen Gelijk

De oude veteraan heeft ongetwijfeld in levensbedreigende situaties gezeten en in omstandigheden die al heel lang niet meer van deze tijd zijn en die nog steeds diep in hun geheugen gegrift staan. Dit mag en kan ook niemand vergeten. Vergeet echter niet, dat de collega's, die toen de militaire dienst verlieten, de status van jonge veteraan hadden volgens de geldende begrippen. Men zou het als zeer ongepast beschouwen, en terecht, als door toen ook al bestaande oudere veteranen hun inzet, met alles er op en er aan, van ondergeschikt belang zou worden beschouwd of niet in vergelijking zou staan met hun verleden.

De jonge veteraan heeft ook het nodige ervaren. Moge er dan vele dingen ten goed zijn veranderd, de risico's en geweldspiraal is alleen maar toegenomen. Ik kan mij een goede voorstelling maken van hetgeen die mensen dagelijks in die operatiegebieden meemaken en kan daarbij niet tot een andere beoordeling komen, dan die ik de z.g. oudere veteraan toeken. Toen U en ik, als oude veteraan, de militaire dienst verlieten, hoopte wij de fakkel te kunnen doorgeven aan een generatie die, wanneer op hen een beroep zou worden gedaan, vol plichtsbesef die taak zouden uitvoeren. Velen hebben dat reeds gedaan en hun opvolgers zullen dat ook doen.
Dit moet voor de oudere veteraan de overtuiging zijn, dat ze trots moeten wezen op de z.g. jonge veteraan, die juist datgene doen wat door hen zelf is aangereikt en beoogd. Daarom zou het juister zijn als we niet meer praatte over jonge en oude veteranen maar over veteranen, ongeacht leeftijd en periode.
M.i. hoort daar pertinent ook bij die collega's die deze status, onterecht, nog niet hebben. Dus voor de toekomst: "Gewóón veteraan", niet meer en niet minder…!

REÜNIES.
Bij het bezoeken van reünies mag men er vanuit gaan, dat iemand bij zo'n samenkomst vele oude bekenden tegenkomt. Oude bekenden en vele goede vrienden uit het verleden hoop je dan te ontmoeten, om weer eens oude herinneringen op te halen. Uit ervaring weet ik, dat dit heel prettig kan zijn en voor velen ook nog belangrijk. Mensen kunnen dan eens, zonder veel uitleg en toevoeging van details, ongeremd hun verhaal en persoonlijke gevoelens kwijt,

Hr.Ms. “Evertsen” in de baai van Manokwari

waarbij ze weten, dat ze niet alleen een gevoelig oor krijgen, maar bovenal goed begrepen worden. Ook de wegen die bewandeld moeten worden om bepaalde doelstellingen te bereiken en die voor hen nog onbekend waren, worden dikwijls aangereikt. Natuurlijk is het zo, dat niet iedere reünie voor de bezoeker een geslaagde ontmoeting is en dat de verwachtingen héél anders waren dan de ontmoeting op zich.
Als reden hiervoor hoor ik dan dikwijls, dat er geen collega's van weleer waren, het vertonen van enigszins puberaal gedrag van enkele bezoekers, of om redenen die betrekking hebben op leeftijdsgroepen van de reünisten. Van alles zal best een beetje waar zijn en voor sommige misschien een beetje veel, maar het is beslist geen bepalende factor die overheerst en die bepalend moet zijn om in de toekomst dergelijke bijeenkomsten niet meer te bezoeken. Ook bij mij is het wel eens voorgekomen, dat ik de éne reünie leuker vond dan de ándere, maar dat houdt wel in, dat ik die éne ook leuk vond, alleen iets minder leuk. Bij een reünie is het nu eenmaal zo, dat je constant in beweging moet zijn, zeker bij grootschalige reünies, waardoor de kans op ontmoetingen en het traceren van personen meer resultaat zal opleveren dan wanneer men dat niet of onvoldoende doet.

Ooit hebben wij veteranen, deel uitgemaakt van een krijgsmachtonderdeel, dat toen al vele decennia bestond en waarover we nu nog met gepaste trots vertellen. Ondanks dat we daar vele goede vrienden hebben gevonden en gemaakt, tot de dag van heden, dienden we echter niet dat groepje vrienden, maar het onderdeel waartoe we behoorden. Dat deden we weliswaar met die vrienden, maar we wisten heel goed wat en wie we dienden en dat was de eenheid waartoe we behoorden. Ná ons vertrek is die eenheid, ook met Uw inbreng en bijdrage, gewoon blijven bestaan als een groepering waar U toen zo trots op was. Met respect en begrip voor een ieders persoonlijke opvattingen en de daar aan verbonden keuzebepaling, kan ik het zelf niet zo goed plaatsen, dat veteranen van reünies weg blijven om redenen, zoals ik hier boven heb aangegeven.

Overigens kan ik U vertellen, dat oud collega's doorgaans met het meeste respect worden behandeld door de z.g. jongeren en dat de gesprekken in een heel prettige sfeer verlopen met als onderwerp: "toen en nu". Het karakter van een reünie is, m.i, dat men ook deel heeft uitgemaakt van het onderdeel en er nog steeds een grote betrokkenheid mee heeft. Opgedane teleurstellingen in het verleden, zijn geen garantie voor toekomst op dat gebied. Dat was niet in het verleden, niet voor de toekomst en ook niet voor.......reünies. Gelukkig kunnen de organisatoren van de vele reünies terugzien op goede resultaten en blijft de opkomst positief. Ik kan de z.g. wegblijvers echter verzekeren, dat ze van harte welkom zijn en de vrienden van toen hun niet vergeten zijn.
Zullen we zeggen:
"Tot ziens"?

"TOCH EVEN DE DIENSTPLICHTIGEN"
Reeds eerder heb ik in "Story's" vermeld, dat er geen verschil bestaat en moet bestaan in het begrip veteraan. Voor hen die dat is ontgaan verwijs ik naar de bedoelde inzendingen in de index. Als men nu het gehele veteranengebeuren onder de loep neemt, dan valt het juist op, dat de daaraan verbonden activiteiten, in een breed scala, voor rekening komt van de voormalige dienstplichtigen. Nu was dat ook wel de grootste groep van de krijgsmacht en in alle onderdelen daarvan vertegenwoordigd, dus enige logica zit er wel in. Behoudens enkele landelijke bestuursfuncties, die veelal door oud beroepsmilitairen worden gedaan, zijn ook de regionale en plaatselijke bestuurders van veteranenverenigingen bezet door oud dienstplichtigen. Gezien de ontwikkelingen binnen die afdelingen doen ze dat op een voortreffelijke wijze en is het zelfs wenselijk, dat ze op de ingeslagen weg blijven doorgaan.

Het is mij echter ook bekend dat deze groep nu niet bepaald stond te juichen toen ze nog in daadwerkelijke dienst waren. Zou er toen een besluit zijn geweest die de dienstplichtigen de mogelijkheid zou bieden om per direct de militairendienst te verlaten, dan was het te verwachten dat er een massale leegloop binnen de krijgsmacht had plaatsgevonden. Nog het één, nog het ánder heeft plaatsgevonden en hebben diezelfde dienstplichtigen zich als een waardig collega opgesteld waarbij status van dienstplichtig of beroeps niet merkbaar was. Toch was dikwijls de gedachtegang van; "niet graag dienen" in ruime mate aanwezig. Hoe het met deze mannen verlopen is en hoe ze tegen die periode aankeken en aankijken, moge blijken uit hun verbondenheid met de periode van toen.

... Nimmer Verzaakt

De door hen voortreffelijk georganiseerde reünies en de positieve internetsites spreken boekdelen. Hun verbondenheid en trots dat ze er toen bij hoorde dragen ze op een gepaste en waardige manier. Bij mij komt echter wel eens de vraag op waar die verandering in zit van de periode van toen en de tijd van nu. Een duidelijk antwoordt heb ik er nog niet op gevonden, of het moet zijn dat het ongenoegen van toen onterecht was en dat alles relatief goed te doen was, of men romantiseert nu de tijd van toen. Misschien is het wel van beide een beetje. Deugde er toen van alles niets, nu beleefd men het als een positieve ervaring die men niet graag had willen missen. Al die mannen die ik op reünies tegenkom hebben, doorgaans, een goede verdere carrière opgebouwd en hebben, mede door die periode, een stuk ervaring in hun rugzak zitten die er mag wezen. In mijn loopbaan hoorde ik eens een bootsman zeggen; "waar gekankerd wordt heerst een gezonde stemming" Ik denk dat die man gelijk heeft gehad. Al met al heeft de dienstplichtperiode, in het algemeen, U geen schade berokkent ook al ging alles niet altijd naar wens en was Uw gemopper wel eens een klein beetje terecht. Een héél klein beetje.
Een saluut van respect en waardering breng ik aan alle dienstplichtigen waarmee ik heb moge dienen. Het ga U allen wel.

GEBAKKEN MARINIER.
Bij het lezen van deze tekst zullen velen, niet oud Nieuw-Guineaganger zijnde, zich de wenkbrauwen fronzen en denken, waar gaan we het nu over hebben. Voor velen, zo niet de meeste oud Nieuw-Guineagangers, klinkt het als een bekend geluid uit de tijd van weleer en gaan hun gedachten uit naar een culinair lekkernij dat toen alleen nog maar bestond in dat paradijselijk land. Twee tot drie maal per week werd het aan de maaltijd toegevoegd als bijgerecht en dat kon zowel bij een brood als rijstmaaltijd. Maar wat is dan precies dat "overheerlijke" paradijselijke gerecht? In die periode waren de maaltijden heel erg sober, niet van de beste kwaliteit en de variatie heel eentonig. Het meeste was blikvoeding of gedroogde artikelen, terwijl de z.g. verse artikelen, w.o. groente en aardappelen niet bepaald van hoogwaardig niveau waren. Vers vlees was uit de diepvries en matig aanwezig terwijl verse vis alleen in zeer kleine hoeveelheden soms verkrijgbaar was en daardoor dus geen haalbare zaak was dit aan de menulijst toe te voegen.Creatief werken en omgaan met de artikelen die er wel waren was dus geen overbodige luxe en werd dan ook op diverse manieren gedaan. Zo ook door de toen gestationeerde chef-kok van de oude Marinekazerne Biak, ook wel bekend als de "Base".
Bij mijn weten was dat de majoor-kok Oenema. Het was een veteraan uit de tweede wereldoorlog die het nodige aan ervaring had meegemaakt en daarvoor was onderscheiden met het Bronzen-Kruis. Bovendien was het een man die enig respect afdwong en een goed gevoel voor humor had. Nu waren er, in die tijd, ladingen boterhamworst in blik in voorraad die dan ook, naar verhouding,werden geserveerd.

.. Wat moesten die lui ook alweer schaften??

Heel dikwijls dus. Het gevolg was dat men geen boterhamworst meer kon zien, laat staan eten. Die majoor-kok, de honger van de oorlog meegemaakt hebbende,zag dit met lede ogen aan en wist dat het ook anders kon. Hij nam één blik van die worst en snee dat ik z.g. dobbelsteentjes.In een koekenpan deed hij wat boter, liet dit smelten om er vervolgens gesnipperde ui, knoflook en sambal aan toe te voegen. Nadat alles goed was opgewarmd en de uien glanzig waren, voegde hij de dobbelstenen worst toe en warmde het geheel nog wat op om het af te maken door een beetjes ketjap-manis toe te voegen. De "delicatessen"was geboren en enkele proevers vonden het geweldig en overheerlijk. Maar nu, hoe verder.Bij een onderbezetting van de kombuis ga je niet zo maar even voor zo'n kleine1000 man dobbelsteentjes worst snijden.

Omdat men daarvoor niet gestudeerd behoeft te hebben en mariniers, in het algemeen, werken en handelen met een eenvoudig en normaal denkvermogen en soms wel eens wat tijd hadden,was de keus snel bepaald wie dat klusje ging doen. Daar kwam nog bij dat de mariniers en het kombuis personeel een gezonde haatliefde verhouding hadden. Dat kwam mede door het feit dat wanneer de mariniers op patrouille gingen of op bivak, altijd eerst nog een bezoek werd gebracht aan het kombuis om te kijken of er nog wat te ritselen was. Dat liep uiteen van keukenspullen tot blikken voeding en potten sambal. Alles was bij de mariniers welkom. Als de chef-kok dan weer eens iets kwijt was dan wist hij dan ook meteen in welke richting hij de dader moest zoeken al kon hij hem nooit aanwijzen. Zoals verwacht werd inderdaad dat klusje, en velen daarna, gedaan door de mariniers onder persoonlijke leiding van de majoor-kok.

Succes was verzekerd en het smullen kon door de bemanning beginnen. Bij het opdienen in de eetzaal van de vlooteenheid,ook weer tegenstanders van de mariniers, was de chef-kok zelf aanwezig om waar te nemen hoe dit gerecht aansloeg.Hij vertelde hierbij, als komische anekdote,dat dit is gebakken door een marinier. Dit kwam niet helemaal goed over doordat de twee woorden "door een"niet duidelijk genoeg over kwamen. Men verstond dus; "dit is gebakken marinier" De naam van het gerecht was ontstaan en is, tot de dag van heden, nog steeds een bekend recept bij oud Nieuw-Guineagangers van alle onderdelen zonder dat de majoor-kok ooit heeft geweten dat hij de naamgever is geweest.Ik spreek nu over de periode 53-55. Daarvoor had nog nooit iemand van dat gerecht gehoord en daarna was het een vanzelfsprekendheid. Als U dit gerecht ook eens wil maken dan dien ik U er op te wijzen dat men uitsluitend de Ingrediënten gebruikt zoals ze zijn vermeld en er niet iets aan toegevoegd of weglaat. Het oorspronkelijke recept gaat dan verloren. Wie weet wat de naam zal zijn voor een volgend, zelf uitgevonden, recept. De mariniers hebben in ieder geval, zoals gewoonlijk, de spits afgebeten. Wie volgt?

HEEL GEWOON
Bij reünies en andere bijeenkomsten waar uitsluitend oud mariniers aanwezig zijn heerst er altijd een sfeer die afwijkt van andere bijeenkomsten met een soortgelijk karakter. Iets van geborgenheid en gebondenheid is altijd een van de aspecten die kenmerkend zijn.Waar en wanneer er zo’n, samenkomst zich aandient, is het altijd weer opvallend dat de kameraadschap, de samenhorigheid en de onderlinge gebondenheid onaangetast overeind blijf staan.

.....eens Marinier.....

Buitenstaanders die, als gast, dergelijke bijeenkomsten wel eens bezoeken staan dan ook altijd versteld over die marinierscultuur en proberen daar dikwijls een verklaring voor te vinden of te geven zonder dat ze daar in slagen.Er zijn zelfs z.g. wetenschappers geweest die getracht hebben er een juiste verklaring voor te geven, maar ook die bleven het antwoordt schuldig. Dit is ook moeilijk uit leggen, want als je zelf geen marinier of oud marinier bent, zul je het nimmer kunnen begrijpen laat staan het beleven. Die oud marinier behoef je het niet uit te leggen want die weet het als geen ander en die vindt het heel gewoon. Probeer het dus nooit aan iemand duidelijk te maken want dat is verloren tijd.Voor niet mariniers lijkt het marinier zijn soms op een beetje afwijkend gedrag,maar die mensen vinden weer dingen gewoon die voor een marinier absoluut onaanvaardbaar zijn. Het je houden aan gemaakte afspraken, consequent zijn en vooral duidelijk en eerlijk zijn, in hetgeen waarvoor je staat, is anno 2006 en reeds lang daar voor, een gedachtegoed wat niet of nauwelijks meer wordt gehanteerd terwijl dat voor die zelfde mariniers de normaalste zaak van de wereld is. In geval dit als afwijkend gedrag dient te worden beschouwd is de marinier inderdaad afwijkend. Maar dat is hij dan al meer dan drie eeuwen lang zonder dat hij ook maar iemand daar schade mee heeft berokkend en de meerderheid van het Nederlands publiek met trots over die zelfde marinier praat. Is de marinier dan misschien zonder zonde of fouten? Nee, natuurlijk niet.

.....altijd Marinier.....

Soms zijn mariniers net als gewone mensen en is niets menselijk hen vreemd waardoor het kan voorkomen dat ook de marinier, weliswaar spaarzaam, wel eens iets niet goed of zelfs radicaal verkeerd kan doen. Met de geëigende middelen die daarvoor gelden wordt dat dan aangepakt zodat herhaling wordt voorkomen.Het is ook niet van doorslaggevend belang hoe lang men marinier is geweest of welke rang men heeft behaald

Door het behalen van een rang of een bepaalde tijd dienen wordt men geen marinier. Nee, eerst marinier worden en dan komt de rest van zelf wel. Nou, niet helemaal van zelf, je moet er natuurlijk wel iets aan doen. Er zijn mij ook gevallen bekend dat zeer gerespecteerde collega’s, om persoonlijke omstandigheden, genoodzaakt werden om bij een ander onderdeel van de krijgsmacht te dienen.Deze mensen hebben allemaal een goede carrière volbracht met een mariniers inzet en zijn altijd trouw gebleven aan het gedachtegoed van de marinier hetgeen hen geen windeieren heeft gelegd. In hun genen zijn dit ook echte mariniers. Zij zijn geen uitzondering in het begrip marinier zijn. In tegendeel zelfs, zij worden door een ieder zeer gewaardeerd en zijn altijd welkom. Hoe was het ook al weer? Inderdaad, eens marinier, altijd marinier.

 Op al deze bijeenkomsten, zoals ik hier boven schets, ontmoet men personen die men waarschijnlijk nog nooit eerder heeft ontmoet of op zijn minst niet meer in het geheugen zitten. Toch is het zo alsof men die persoon al jaren lang kent en is het vrijuit en vertrouwelijk spreken iets heel gewoons. Men hoeft niets uit te leggen of toe te lichten. Ze spreken allemaal de zelfde taal en hebben de zelfde manier van denken, doen en laten. Bovendien wordt er begrip opgebracht voor ieders persoonlijke situatie en bovenal de menselijke waardering voor elkaar. Als dit afwijkend gedrag is kan ik U vertellen dat die marinier trots is op zijn afwijking en daarvoor absoluut niet behandeld wil worden omdat hij het heel gewoon vindt.
U soms niet?

De Marinemedaille
De marinemedaille is een onderscheiding en blijk van waardering voor langdurige operationele diensten welke zijn begaan in dienst van de Koninklijke Marine of daarmee aanverwanten eenheden. Om er voor in aanmerking te komen diende men echter op of ná 18 januari 1985 in daadwerkelijke dienst te zijn en vervolgens te voldoen aan de criteria die voor toekenning gesteld zijn.

Ik kan mij heel goed voorstellen dat men ergens moet beginnen en eindigen bij het toekennen van onderscheidingen en dat behoeft ook niemand mij uit te leggen, maar de grens leggen op 18 januari 1985 is voor mij onbegrijpelijk. De meeste en grootste geweldsconflicten hebben zich ver voor 1985 voorgedaan. Denk hierbij aan WO.2, Indonesië, Korea en Nieuw Guinea en de toen ook al bestaande vredesoperaties. Er zijn genoeg voorbeelden te noemen van personen die in de zelfde eenheid de zelfde operationele activiteiten hebben begaan en waarvan de een wel en de andere niet werd onderscheiden met de bedoelde medaille louter en alleen om het feit dat die ene nog enkele weken ná 18 januari in daadwerkelijk dienst was. Dat is meten met twee maten bij het toekennen van waardering, naar vele veteranen, door regelgevers waarvan men nu juist mag verwachten dat ze het tegendeel beijveren.

In het recente verleden heeft zich ook zo’n situatie voorgedaan bij het Ereteken voor Orde en Vrede en het Nieuw-Guinea herinneringskruis. Door de toen ook al ontstane onvrede in het toekenningsbeleid is door de verantwoordelijke overheid het beleid herzien. De termijnen en criteria die werden gesteld werden gewijzigd, zonder dat de waarde van de onderscheiding gereduceerd werd. Dit was geen natte vinger werk, maar een goed uitgevoerd beleid.

Zij wél.......

 Men luisterde toen naar de veteraan, de man of mannen die konden rechtvaardigen dat herziening van de toekenningsprocedure bijgesteld diende te worden.

Het dienen bij de krijgsmacht, dus ook de Koninklijke Marine, is niet alleen een beleving maar ook voor velen een doelbewuste beroepskeuze geweest die ze tot aan hun pensioen hebben volbracht. Zonder enig onderscheidt, in de duur van hun diensttijd ,zijn,nagenoeg alle oudgediende trots op die periode en willen daar ook op een gepaste manier aan herinnerd worden. Er zijn nog vele oudgediende die de oorlog en geweldperiodes, zoals boven vermeld, hebben meegemaakt en thans nog in blakende gezondheid verkeren.

..... en zij niét?

Zij voelen echter wel de pijn van miskenning. Wat is er nu zo moeilijk aan om de zelfde toepassing te doen als bij het Orde en Vrede en het Nieuw-Guinea herinneringskruis ?. Dat de mogelijkheid bestaat is zeker, nu de wil nog. Het terugdraaien van de datum van toekenning naar 1945 lijkt mij op zijn plaats.Het zou zo moeten zijn dat iedereen die bij de Koninklijke Marine heeft gediend in aanmerking zou moeten komen voor die medaille

 en daarmee kan aantonen dat hij ooit deel heeft uitgemaakt van een eenheid en organisatie waar men trots op kan zijn. Dan is er inderdaad een aanvangsdatum gesteld en is er, in redelijke verwachting en op dat gebied, geen kwetsbare groep binnen de veteranenorganisatie. Voor het toekennen van een algemene onderscheiding dient men ook algemeen te handelen en geen precedenten te scheppen.Bij het toekennen van persoonlijke onderscheidingen blijf ik achter het huidige beleid staan.
Ik breng dit onderwerp, enigszins beknopt, onder uw aandacht en ben benieuwd hoe u hier over denkt.  Ik verneem graag uw reacties. Zie voor meer informatie de pagina “
Kombuis
Met vriendelijke groet,
Hans Slijkhuis

Het Landingsvaartuig

In de jaren 50 beschikte de 21e Inco, die op Biak was gestationeerd, niet of onvoldoende over het materiaal om hun taken goed te doen. Zo was men afhankelijk van de plaatselijke marinekazerne v.w.b. het voertuigenpark en nog vele andere logistieke voorzieningen. Op zich is daar niets op tegen, maar voor een zelfstandige operationele eenheid is het wel wenselijk, zo niet noodzakelijk, dat ze zelf over een goede basisvoorziening beschikken. Natuurlijk was dat een doorn in het oog van de mariniers en men was dagelijks bezig om daar een goede oplossing voor te vinden.

 Nu kan ik u vertellen dat men ook al in die tijd goed was in het kanabaliseren, ofwel van twee één maken of van niets iets.
 Zo gebeurde het dat men op de veelvuldige patrouilles een oude Willy-jeep in de bush had zien liggen die, volgens de mariniers, wel weer rijklaar was te maken. De wat oudere kplmarns Bakker, met de specialiteit van rij-instructeur en automonteur, werd met deze klus belast nadat de mariniers, met voornamelijk mankracht, het voertuig uit de bush naar de kazerne hadden gebracht..Het onvoorstelbare gebeurde en na enkele weken werd het voertuig, z.g.a.n. aan de commandant van de 21e Inco, t.w. de kapitein der mariniers Maan overgedragen onder het nummer KM 21-86. KM moest staan voor Korps Mariniers, 21 voor de compagnieaanduiding en 86 voor het aantal afgelegde kilometers om die roestbak in de kazerne te krijgen. Ik kan mij goed voorstellen dat er lezers zullen zijn die hierbij de wenkbrauwen wat optrekken, maar het is echt waar. Het voertuig werd meteen ter beschikking gesteld aan de commandant die nu een eigen voertuig had. Toen hij er echter een eigen standaard op wilde zetten, in de vorm van een korpsembleem, werd hem dat door de commandant maritieme middelen, de Kltz.Vos verboden.

Nadat het voertuigenprobleem voor een groot gedeelte was opgelost, kondigde zich een nieuwe wens aan. Een landingsvaartuig is natuurlijk nog meer welkom dan een oude Willy-jeep. Ja lezers, houdt u vast, ook dié werd in de bush gevonden. Tijdens WO.2 hadden de Amerikanen veel materiaal in de bush achter gelaten en waar de mariniers toch nog wel iets mee konden doen,

Met veel improvisatie en nog meer mankracht werd een oude LCA verplaatst van Bosnik naar de nieuwe locatie van de toen in aanbouw zijnde marinekazerne op Sorido alwaar met behulp van de toen bestaande ATD een geschikte plaats werd gevonden om ook die klus te klaren, ook weer o.l.v.de kpl.Bakker. Dit moest het paradepaardje van de mariniers worden en tijd nog moeite werd gespaard om tot een goed resultaat te komen.Nu, die kwam er en hoe.
Na vele weken, tot zelfs enkele maanden, zwoegen was het moment gekomen om het vaartuig plechtig te water te laten. Laat het u gezegd zijn dat men een ceremonieel wel aan mariniers kan toe vertrouwen. Beter dan een LCA zeewaardig maken.
Op het uur “U “ hadden zich alle denkbare VIPs van Biak zich op de havensteiger verzameld en had de marinefanfare, olv. Sgtmuzknt. Jonkers, de opstelling ingenomen om het geheel muzikaal op te luisteren. De LCA was aan twee grote kranen van de ATD gekoppeld en kon op het afgesproken teken te water worden gelaten. Aldus geschiedde, nadat de drie koppige bemanning in de LCA plaats had genomen. Bij het spelen van koraalmuziek werd de tewaterlating in gang gezet waarbij stram de militaire groet werd gebracht. Normaal speel je daar pittige marsmuziek bij i.p.v. koraalmuziek, maar ik denk dat die kapelmeester de ellende aan zag komen. Nadat de bodem van de LCA het wateroppervlak had bereikt, bleef het vaartuig gewoon doorzakken en verdween, m.u.v. de vlaggenmast, geheel onder water. De bemanning sprong over boord en klauterde aan de wal, terwijl de fanfare gewoon doorging met de koraalmuziek die nu meer betekenis had gekregen.

De inmiddels nieuwe commandant 21 Inco, de Majmarns. Honig, was in alle staten vooral toen de commandant maritieme middelen, de Kltz.Vos ook nog de opmerking maakte; “Typisch Mariniers”
U zult zich ongetwijfeld een beeld kunnen vormen wat hiervan de gevolgen waren voor de mariniers v.w.b. het aanzien bij het vlootpersoneel.Ik kan u overigens verzekeren dat dit geval voor niemand krijgstuchtelijke gevolgen heeft gehad en dat de LCA,na enkele weken,

vele patrouilletochten heeft gemaakt door de wateren van Nieuw Guinea. De bodem was toen wel voorzien van het juiste plaatwerk i.p.v. 40 cm beton en waren, onder de waterlijn, geen afvoergaten meer aanwezig.
Een komisch maar waar gebeurd verhaal waarbij de mariniers zelf hun droomwens realiseerde waardoor een eigen wagenpark en vloot werd verkregen. Het was wel héééééél weinig, maar u weet; “mariniers zijn met heel weinig tevreden”
Met groeten en tot de volgende keer,
Hans.

Wonen in Manokwari

 

Manokwari was, in onze tijd, een kolonistendorp gelegen rond de Dorebaai aan de noordoostkust van het voormalige Nederlands Nieuw Guinea. Vér voor de tweede wereldoorlog vestigde de eerste kolonisten zich in Manokwari die allen afkomstig waren van Nederlands Indië, althans de meeste.

Om diverse redenen kwamen die mensen naar Nieuw Guinea en velen sloegen hun bivak op in en rond Manokwari. Het waren allemaal hard werkende mensen met een grote ondernemingsgeest en een avontuurlijke inslag. Zo ontstond er vrij snel een hechte dorpsgemeenschap waar alle, noodzakelijke,voorzieningen tot stand werden gebracht met de meest eenvoudige middelen. Begin jaren vijftig kwamen die voorzieningen in een sneller tempo tot stand en werd Manokwari een eldorado om te wonen.Wie daar meer over wil weten kan de geschiedenis er nog eens over raadplegen van dit prachtige stadje, want dat was het inmiddels geworden.

Wat betekende dit voor de marinegezinnen die zich daar voor de duur van drie jaar gingen vestigen? Veel, héél veel zelfs. Voor mensen met weinig of geen aanpassingsvermogen en die de zelfde levensstandaard verlangde als in Nederland met al zijn voorzieningen, was het niet de leukste tijd. In die “koloniale pioniertijd” was er altijd wel iets wat niet klopte of werkte.Infrastructuur en diverse nutsvoorzieningen waren niet altijd optimaal, maar daar was goed mee te leven en de oplossingen waren vrij snel tot stand gebracht.Mensen met een positieve instelling, een goed aanpassingsvermogen, realiteitszin en een denkbeeldige glimlach van oor tot oor, hebben daar de mooiste tijd van hun leven doorgebracht.Zij beschouwde die tijd als een langdurige “luxe”vakantie.In de toko’s was meestal alles te koop mits de boot uit Holland op tijd was.Woonvoorzieningen waren zonder meer goed te noemen. Onderwijs en medische voorzieningen waren goed terwijl recreatie en ontspanning, in diverse vormen, ook ruim aanwezig waren.
 

Bij aankomst van gezinnen zorgde de marine gratis voor tijdelijk meubilair, tot het eigen meubilair kwam, terwijl voor de duur van de gehele term kosteloos een koelkast en wasmachine in bruikleen werd verstrekt. De aanwezige marinearts fungeerde tevens als huisarts en de voorgeschreven medicijnen werden rechtstreeks uit de ziekenboeg verstrekt. Natuurlijk was het wel eens improviseren, passen en meten. Maar waar is dat niet? In de kazerne werd een winkeltje gecreëerd voor de gezinnen waar allerlei levensmiddelen te koop waren die dan ook nog werden thuis gebracht, evenals het dagelijkse “halfje”wit. 

De marine zorgde goed voor de gezinnen dat kan ik u verzekeren. Maar zoals ik al noemde, klagers zijn er altijd en ook ik kan wel een paar A-viertjes invullen met dingen die niet goed waren, maar daar tegen staat dat ik boekdelen kan invullen die wel goed waren en die zijn voor mij bepalend om te zeggen dat het wonen in Manokwari een geweldige en romantische tijd is geweest..

Alles is nu eenmaal niet mogelijk om dit in één artikel te plaatsen en daarom zijn reünies, met Nieuw Guineagangers, zo belangrijk. Met enkele foto’s wil ik proberen mijn stelling te onderbouwen om u een indruk te geven hoe het echt was. Bekijk ze eens goed en probeer u er zich iets bij voor te stellen.
Dit verhaal gaat, beknopt, over marinemensen die er met hun gezin woonde. Voor de mensen die er alleen zaten, dus zonder vrouw en eventuele kinderen, was het andere koek.Als u bedenkt dat dat dan óók nog jonge kerels waren, dan behoeft dat weinig uitleg. In een volgend stuk zal ik het daar over hebben. Ook die periode heb ik meegemaakt.
Tot de volgende keer en met groeten Hans

De getoonde foto’s van de woning en de huiselijke fragmenten zijn van onze persoonlijke woon en leefsituatie, aangevuld met enkele impressies van het eldorado Manokwari.

Kazerneleven in NNG

Naast de ernstoperatie’s, uitrukkende diensten, zoals bivak en patrouilles, waren er ook gewoon kazernediensten. Deze bestonden dan hoofdzakelijk uit het verrichten van diverse werkzaamheden, het volgen van lessen en het vervullen van wachtdiensten.Die kazernediensten waren van 07.00 uur tot 13.00 of 13.30 uur waarna dan het middageten werd gestart. Daarna was je, mits je geen wachtdienst had, vrij voor de rest van de dag. Dat was dan ook het tijdstip dat de verveling, het behelpen en de “eenzaamheid”begon toe te slaan. De meeste gingen dan ook maar op hun bed liggen tot 16.00 uur en moesten dan maar zien hoe ze de rest van de dag moesten doorbrengen. Om 17.00 uur werd er nog een sobere broodmaaltijd geserveerd waar op dat moment weinig animo voor bestond ook al omdat dit altijd in model tenue was. Verschillende, zoniet velen, gingen na het middagdutje een uurtje sporten of kwamen net terug van het strand. 

Om je dan weer in het voorgeschreven tenue te kleden om aan de maaltijd te kunnen deelnemen was dan ook geen aantrekkelijke aangelegenheid. Maar wilde je die dag nog iets te eten hebben dan moest je dat wel want verder waren er die dag geen mogelijkheden meer om nog iets te eten,tenminste niet in de kazerne.Nu niet bepaald een idealen situatie.

In de kantine, die van 18.00 tot 21.00 was geopend, was verder ook geen gelegenheid om nog iets te eten behoudens de gevulde koeken e.d. Kortom, ná de avondmaaltijd was er absoluut niets meer te eten of te drinken van rijkswegen en was men aangewezen op eigen knip om nog iets te smikkelen of te drinken.Het enige wat mogelijk was, mits niet te intensief gebruik, was het nemen van een koele slok water uit een “ijsdonkie” waarvan er enkele in de kazerne waren geplaatst. Al wilde je vóór 18.00 uur of ná 21.00 uur tien gulden voor een drankje of gevulde koek betalen dan was dat gewoon niet mogelijk. Ik heb dan ook diverse lunchpakketjes, tijdens de avondmaaltijd, klaar zien maken die voor een later tijdstip bestemd waren. Over soberheid gesproken. Geld om s’avonds bij de chinees te schaften was maar enkele keren per maand aanwezig want het salaris was daar gewoon niet toereikend voor. Als u dan ook nog bedenkt dat alle kosten in persoonlijk onderhoud voor eigen rekening was, dan was alles geen vetpot. Kleding aanvullen, schoen en kledingreparatie, het aankopen van wasmiddelen om de kleding dagelijks te wassen, kapper, toiletartikelen en schrijfbenodigdheden, het werd allemaal door de marinier zelf betaald.

 Gewoon, armoe troef in alle opzichten terwijl het met een klein beetje moeite anders had gekund. Ik wil uitdrukkelijk beklemtonen dat ik hier uitsluitend spreek over de korporaals en manschappen die boordplaatser waren. Voeg hier dan ook nog aan toe dat er met zo’n 40 man in een barak werd geslapen waar als enig meubilair twee bakstafels en vier baksbanken stonden, de bedden en kasten dicht bij elkaar geplaatst waren en de temperatuur enorm hoog was, dan krijgt u zo ongeveer een beeld hoe het kazerneleven was

.Ik wil het dan niet eens hebben over het sanitair waarvan het gebruik groter was dan het aanbod en het onderhoud te weinig. Het woon en leefklimaat van de boordplaatser was niet te vergelijken met dat van een walplaatser.Dat was een wereld van verschil in het voordeel van de walplaatser.Ook dit epistel is niet meer dan om u een indruk te geven hoe het was en voor degene die het hebben ervaren dat ze de tijd van weleer niet in alle opzichten moeten romantiseren.Van enig privacy was dan ook geen sprake.Mariniers die kennissen op de wal hadden konden nog enigszins van die geneugten genieten, maar voor degene die dat moesten ontberen was het wel eens moeilijker dan dat men nu verteld.Ondanks dit alles heeft het de marinier nimmer ontbroken aan werkmotivatie en het volbrengen van zijn taak en plicht. Het is voor een buitenstaander dan ook moeilijk te bevatten. Ik heb beide kanten van het woon en leefklimaat moge beleven en weet dus heel goed wat de verschillen zijn. Onder die omstandigheden je opgedragen taak verrichten is geen sinecure en verdient alleen maar een groot respect. Het heeft hen alleen maar sterker gemaakt, voor nu en de toekomst.Het heeft dus wel zijn vruchten afgeworpen, maar het was niet altijd even prettig, makkelijk en dikwijls verre van ideaal. Zij die het meegemaakt hebben weten wel wat ik bedoel zonder ook de mooie gebeurtenissen te vergeten want die waren er ook. Maar de mannen hadden het niet altijd even makkelijk.
Met groeten Hans

met een beetje fantasie was het net Center-Parcks

Toen was de naam nog Afdeling Mariniers Doorn

Gedragsregels militairen.
De laatste maanden komen militairen, in negatieve zin, nog al eens in beeld hetgeen bepaald wordt door hun gedragingen, beter gezegd; misdragingen. De handelswijze van deze, zeer beperkte, groep is absoluut onaanvaardbaar en dient zeer streng te worden gecorrigeerd. Iedere weldenkende Nederlander zal het hier ongetwijfeld mee eens zijn. Dat zelfs de politiek zich hier mee bezig houdt is dan ook niet meer dan logisch en het gevolg van dat onaanvaardbaar gedrag.Maar is het niet de zelfde politiek die de bestaande handhaving van gezag en gedragsregels in de boeien heeft geslagen? Voorheen hadden militaire commandanten, ingevolge het militair straf en tuchtrecht, een volledige strafbevoegdheid en maakte daar ook gebruik van indien daar duidelijke redenen voor aanwezig waren. Waren de strafbare feiten van dien aard dat ze buiten zijn bevoegdheid lagen, dan werd er doorverwezen naar de militaire krijgsraad waar de zelfde procedure werd gevolgd als bij het burger strafrecht. Om die gang echter te voorkomen, of tot het minimum te beperken, had een commandant een strafbevoegdheid en dat werkte perfect.Er werden echt niet zo maar, te kies en te keur, straffen uitgedeeld. Afhankelijk van het strafbare feit werd er een evenredige krijgtuchtelijke correctie opgelegd die varieerde van een berisping tot en met strengarrest met inhouding van salaris en een gedeelte van de voeding.
Er waren echter weinig kandidaten die daar voor in aanmerking kwamen omdat men wist wat de consequenties waren van eigenlijke en oneigenlijke krijgstuchtgelijke vergrijpen. Ieder kaderlid was zich dan ook terdege bewust van het handhaven van de discipline en hield zich daar dan ook consequent aan. Iets wat onbestaanbaar was met de militaire tucht en orde kwam niet aan de orde, zo simpel was dat. De Nederlandse politiek heeft toen gemeend dat alles veel soepeler en z.g. sociaal maatschappelijke kon en moest en gooide het roer om. De commandant mocht niet meer straffen, haardracht was vrij, groetplicht werd afgeschaft, wachtdiensten moesten als overuren worden uitbetaald en plichten werden omgezet in rechten en dat nu juist bij een groepering die hoofdzakelijk plichten moeten betrachten. De bestaande plicht werd omgezet in “normen en waarde” en een legioen maatschappelijk werkers werd belast met de handhaving en toezicht op deze nieuwe opzet. Het resultaat is u inmiddels bekend. De Commandant der Strijdkrachten heeft nu een Luitenant-generaal belast met het handhaven van de gedragingen van de militair terwijl dat voorheen, met succes, werd gedaan door een korporaal in zijn functie van baksmeester. Soms kwam de sergeant er aan te pas, maar in de meeste gevallen was dat niet nodig want de baksmeester had de jongelui heel duidelijk gemaakt waar ze zich aan moesten houden en hoe ze zich diende te gedragen. Het terugkeren naar die situatie, op dat gebied, zou een werkelijke bijdrage zijn om incidenten, zoals die zich nu voordoen bij enkele militairen, te voorkomen en wordt de militair niet in diskrediet gebracht. Ingeval de overheid toch van mening is om zich met buitensporige gedragsregels bezig te houden dan heb ik er nog wel een paar.
Door die z.g. misdragingen van militairen zijn er nog nimmer voetbalstadions vernield, openbaar vervoer ontwricht, stille tochten gehouden, woonwijken afgezet, gezagsondermijnende demonstraties gehouden en gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Het is mij ook bekend dat er tragische geweldsmisdrijven zijn gepleegd in de privésfeer en waarbij een militair betrokken was,Die lagen dan in het persoonlijke leven en stonden niet in enige verhouding tot het militair zijn.Moet dan alles terug naar vroeger? Nee, natuurlijk niet en als u de mening  bent toegedaan dat dit mijn uitgangspunt is, dan hebt u van het hele verhaal niets begrepen of u behoort tot die categorie die de krijgsmacht niet wil begrijpen. De krijgsmacht verdiend met respect behandeld en beoordeeld te worden, net als iedere Nederlander, waarbij ongehoord gedrag niet getolereerd kan worden.Dat respect dient natuurlijk wel verwoven te worden door de militair zelf.De ziel van die verworveheid ligt echter niet bij de minister van defensie, CSK of het parlement, maar in de kazerne waar de kiem wordt gelegd van het denken,doen en laten van de militair. Vooral het laten wordt ze goed bijgebracht.Niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Het oude systeem, zoals ik heb aangegeven, is echt een goede bijdrage. Voorkomen is beter dan genezen.
Als u een andere mening of oplossing weet, dan hoor ik die graag.
 

Generaal; Wat zijn jullie stoute jongens         Mariniers: U wijst de verkeerde kant op Generaall

Vijf jaar veteranendag

Dit is slechts een sfeerfoto.Op andere sites van de collega’s vindt u een grotere collectie. Ik wil slechts het verhaal aan u kwijt,

Nu het eerste lustrum van de landelijke veteranendag al weer enkele maanden geleden is, is het niet onbelangrijk om eens een eigen evaluatie van het evenement te maken. In het begin was de ervaring dat de veteraan hoofdzakelijk als zaal en tribunevulling diende en zijn of haar aanwezigheid wat naar de achtergrond werd geschoven.

Veel pratende presentatoren en niets zeggende artiesten traden veel op de voorgrond voor een aantal z.g. VIPS terwijl de echte VIPS, de veteraan dus, ergens achter in de zaal zat of op een zijtribune. Dat hier een protestreactie op zou volgen, door de veteranen, was dan ook niet uitgesloten.

Die reactie werd door het organisatiecomité goed ter harte genomen en in de evaluatie, die daarop volgde, in zorgvuldige behandeling genomen. Dit heeft er toe geleidt dat er nu een veteranendag wordt gehouden die klinkt als een klok. Ik weet, net als u, dat je ergens moet beginnen en dat alle begin moeilijk is en dat dit ook geldt voor de organisatie.

Het is ook niet makkelijk om voor een specifieke groep met hun eigen cultuur, en dat zijn de veteranen,een evenement op poten te zetten wat bij een ieder in goede smaak valt. Het is dan ook niet terecht om de organisatie nu nog enig verwijt te maken in hun beoogde en behaalde doelstelling.

Natuurlijk zijn er altijd mensen onder de veteranen die dat wel doen. Als je deze mensen dan vraagt wat er dan niet goed is dan hoor je verhalen, op en aanmerkingen die je voor onmogelijk houdt. Toch zijn ze ieder jaar aanwezig en steeds weer met het zelfde gezeur. Hun aanwezigheid is geen goede bijdragen aan de veteranenstatus. Gelukkig zijn dat er maar enkelen.

In eerdere artikelen op deze pagina heb ik een ander beeld gegeven van het evenement dat volkomen tegenstrijdig is met dit epistel, maar ik benoem graag de zaken zoals ze benoemd moeten worden en dat houdt in dat een groot compliment naar de organisatie op zijn plaats is. Over de inhoudt van het programma hoef ik u niet te informeren want die is genoegzaam bij u bekend.

Wat mij persoonlijk steeds weer het meest treft is het opkomen van de gezamenlijke vaandelwacht der strijdkrachten en het opkomen van de Tamboers en Pijpers en de Marinierskapel van Ons Korps Mariniers direct gevolgd door een bataljon oud mariniers van het COM met hun vaandelwacht. Geweldig!  Dat maakt altijd een diepe indruk op mij en ben dan ook niet vrij van emoties.

Tot slot aan de organisatie, ook die van het COM, ga zo door. Het is goed zo.
Hans Slijkhuis.
 

Beloning veteranen

Zijn ze dan nooit tevreden die veteranen? Jawel, dat zijn ze wel en ze zijn allemaal zeer tevreden over de huidige nationale veteranendag en de lokale veteranendagen. Dus dit is het punt niet.

 Maar als het beter kan met een  goed onderbouwde motivatie , een juiste criteria met een oprecht waarderingselement, dan is het toekennen hiervan gerechtvaardigd. Weet u dat nog geen 50% van de veteranen de veteranendagen kunnen bezoeken? Zowel nationaal als regionaal niet. Eenvoudig omdat ze de middelen niet hebben.

 Pensioenen zijn bevroren, gezondheidskosten zijn drastisch gestegen, veel voor eigen rekening, verhoging van de premies en de eigen bijdragen. Openbaar vervoer wordt duurder en het gehele bestedingsinkomen gaat voor alle gezinnen naar beneden. Dan is het toch begrijpelijk dat een grote groep veteranen van deelname is uitgesloten.

 De minister zal zeggen dat niet hij dat heeft uitgevonden. Nou excellentie, dat hebt u nu juist wel gedaan met steun van uw collega’s. Geld is het probleem niet. Wanneer men topambtenaren minder salaris geeft en het toekennen van Multi bonussen beperkt of stopt , houdt men nog geld over.

 Na deze inleiding geef ik aan wat gerechtvaardigd is om veteranen toe te kennen. Dat is vrij reizen op het gehele openbaar vervoer, al dan niet op verzoek en het toekennen van een jaarlijkse bonus. De zg. 13e maand dus. Een bedrag wat voor iedereen het zelfde is. Als men nu gaat denken dat het openbaarvervoer uitpuilt door veteranen kan ik u verzekeren dat u een vergissing maakt.

 Ook zal die topambtenaar niet naar de voedselbank hoeven. Alleen hij krijgt een beetje minder. Het enige stoffelijke wat ik ooit van Defensie hebt ontvangen was een veteranenspeld die in massaproductie nog geen euro kost. Ik hoor graag uw reactie.
Met vriendelijke groet Hans

 

Het ware verhaal van de hinderlaag in  buurt van Merauke

Moppa

Het ware verhaal van de hinderlaag nabij Moppa in de buurt van Merauke.


Moppa is een streekgebied ten zuiden van Merauke, op zo’n 15 km afstand van het stadje, alwaar ook een leprozerie was gevestigd. Het vliegveld wat er in de buurt lag had dan ook de naam Moppa. Verder was het een gebied van veeteelt, land en rijstbouw en dun bevolkt. Behoudens het vliegveld was er geen enkele infrastructuur. Nabij het vliegveld was echter wel een water en dieselcentrale gevestigd die de stad Merauke voorzag van de nodige behoefte

.
In de vooravond van 16 juni 1962 werd ik ontboden bij de compagniescommandant(CC) op zijn commandopost en mij mee naar buiten nam met de volgende opdracht.
Volgens zijn informatierapporten waren nabij de leprozerie 2 para’s gezien door het verplegend personeel. Hij wist ook dat het de bedoeling van de vijand was beide centrales buiten werking te stellen hetgeen een ramp zou betekenen voor het gehele gebied in en om Merauke. Het buitenwerking stellen van zulke objecten doe je niet met twee man waardoor hij de totale vijandelijke sterkte op zo’n 20 man schatte. Hij gaf de opdracht met mijn speciale geweergroep de zaak te verkennen en zoveel mogelijk in kaart te brengen en vooral de situatie rond de centrales

.
Wij gingen met twee landrovers op pad en de handvuurwapens werden aangevuld met automatische wapens w.o. 2 punt 30 en nog eens twee extra in de laad/zitruimte. In eerste instantie was het de vijand te lokaliseren en dan terug te keren. Het aangaan van het gevecht was alleen in uiterste noodzaak.
De aanrijroutte naar de lokatie was dan ook, logisch gezien, rechtstreeks in zuidelijke richting, maar omdat we eerst nog 4 Papoea-agenten moesten ophalen, naderde wij, via een omweg langs de kust, ons doel vanuit ZO richting. Ook de para’s waren van mening dat wij uit ZW richting zouden komen ingeval hun plannen ons bekend zouden zijn.


Vanuit die optiek hadden ze een hinderlaag neergelegd met vuursectoren in ZW richting omdat ze wisten dat mariniers nooit met twee man komen voor zo’’n opdracht.
Aan het eind van de rit moesten wij links af en passeerde dus de hinderlaag via de flank waardoor hun vuurkracht werd beperkt vanwege het schootsveld. Hun achteruitbeveiliging had ons echter waargenomen en opende het vuur. Dat was een man of 8. Wij beantwoorde dat vuur met het eerste voertuig. De vijand had meteen de positie veranderd en opende met automatische wapens het vuur op ons w.o ook het twee voertuig

.
Ik kan u vertellen dat dit hevig was en gezien de sterkteverhouding was er maar een mogelijkheid en dat was met vuur en beweging maken dat je wegkomt. Het waren 32 para’s i.p.v 8 en wij waren met 11 man. Het geheel duurde ongeveer 20 minuten waarna we onze positie konden veilig stellen waarna een inmiddels versterkt peloton het overnam, maar toen waren die para’s al vetrokken. Vervolgens hebben wij, de geweergroep dus, beide centrales veilig kunnen stellen waarbij ook nog een kortstondig vuurgevecht plaats vond. Details geef ik hier niet over. Het belangrijkste was dat aan de opdracht voldaan was en bij ons geen slachtoffers waren.

Hoe de telegraaf van 16 juli 1962 aan hun verhaal komen weet ik niet want nimmer is er een van ons door hen benaderd. De Marine voorlichtingsdienst heeft kennelijk een persverklaring afgegeven die niet overeenstemt met de waarheid.
Het is nu 49 jaar geleden dat dit plaats vond, maar ik weet het nog goed want ik was er zelf bij als commandant van onze eenheid en leidde het gehele gewapend treffen.
Alle andere verhalen zijn hele leugens of halve waarheden.

Daarna.
Nadat het staakt het vuren was ingegaan kwamen de UNO vertegenwoordigers om de besprekingen te leiden betreffende de overdracht. Dat was onze CTU, de Majoor der mariniers Schoenzetter en de commandant van de vijandelijke Paratroepen, de Majoor Benny en zijn OCC de Kapitein Beng Beng Supono. De UNO vertegenwoordigers waren twee Zweedse officieren en de voertaal was Engels.

De vijandelijke gewonden werden in onze ziekenboeg verpleegd en de overige para’s, die nog in het bos zaten, werden gehuisvest in een verlaten woonwijk aan de rand van Merauke.

Van de commandant van de hinderlaag, een sergeant majoor, heb ik persoonlijk vernomen dat er vele slachtoffers onder zijn eenheid  waren gevallen en dat hij de tegenstand groter achtte gezien het vuuroverwicht wat wij hadden..

Dit soort vijanelijk treffen is onze speciale geweergroep drie maal overkomen. Dat was op Waigeo waar wij zelf de hinderlaag hadden neergelegd en met succes afronde en nog een nabij kampong Timor bij Merauke die ook in ons voordeel werd beslecht. Nogmaals, heldendaden en verdere details moet u niet van mij verwachten. Wij deden gewoon ons werk.
Hans Slijkhuis
 

Ik beschouw de onderstaande reactie van mijn grote vriend en voorbeeldig marinier John MacMootry als een persoonlijk eerbetoon die ik oprecht met mijn kameraden deel die aan de gevechten hebben deelgenomen.

Hoi Hans,
 
Ik heb intussen je stuk over de hinderlaag nabij Moppa
op je site gevonden, ook je mail daarover heb ik ont-
vangen.
 
Een geweldig verhaal Hans, via via - onder andere van de
toenmalige verbindelaar André Gründmann - heb ik er wel
iets over gehoord. Maar nu weet ik hoe het allemaal precies
is gebeurd!
 
Mijn complimenten voor het prachtige stuk, want als je iets
dergelijks van de Telegraaf of van andere Nederlandse jour-
nalisten moet horen, dan was het een "sociaal verhaal" ge-
worden, meestal berustend op halve of hele onwaarheden.
Je rapportages zijn wat mij betreft "De echte Korps Geschie-
denis", beter en interessanter dan alles wat ik tot dusver heb
gelezen en zeer zeker het publiceren in boekvorm waard!
 
Met respectvolle groet, John.
 

Dit mag ons niet gebeuren

Beste collega’s
Op het Mariniersforum zijn, bij de rubriek Gastenboek, enkele inzendingen geplaatst die het karakter hebben van ongenoegens over het functioneren van het Hoofdbestuur in relatie tot gebeurtenissen die betrekking hebben op het persoonlijk leven en leefsituatie van enkele leden die diepe sporen van verdriet en leed veroorzaken en waar die mensen niet om gevraagd hebben. Dat overkomt je gewoon.


Dit mogen wij als oud marinier niet toestaan en dienen, waar mogelijk, de nodige hulp te bieden. Die hulp behoeft alleen maar te bestaan door eens een bezoekje af te leggen om hun eenzaamheid wat kleur te geven. Nu zijn ze nog alleen maar afhankelijk van Houwe Zo en de foto impressies van de Veteranendagen. Dit kost geen geld of heel weinig.

 Wat het wel kost is de wil om het te doen. Breng dit onder de noemer “Lief en Leed” als een geïntegreerd gedeelte onder bij het reeds bestaande Sociaal Fonds. Het Sociaal Fonds krijgt er dan geen extra taak bij want het wordt door de toegevoegde vertegenwoordigers zelf gedaan, maar het heeft wel een status binnen het bestuurstructuur.


De toegevoegde waarde is dat, via Ons Orgaan Houw Zo, alle afdelingen en onderafdelingen van deze situatie dan op de hoogte zijn en dien overeenkomstig kunnen handelen. Een inleidend voorwoord van de voorzitter zal zeker motiverend werken.
Ik kan u vertellen dat ik uit eigen ervaring spreek waarover u meer kunt lezen op de COM site in de rubriek Ziekenboeg.


Waar ik echter heftig tegen protesteer is dat alle zg. nalatigheden van het functioneren aan de Landelijk Voorzitter COM en zijn bestuur wordt toegeschreven. Ik vind dit een ontoelaatbaar gedrag en daar gaat het een beetje op lijken. Wat het bestuur niet bekend is mag u hen ook niet verwijten. Emoties zijn begrijpelijk, maar het handelend optreden dient te geschieden vanuit de regionale en onderafdelingen

.
Ik ben er van overtuigd dat de Heer Severs hier absoluut toe bereidt is en heb dan ook het volste vertrouwen in hem. Denk aan het gezegde “Oude vrienden vergeet men nimmer”.
Met vriendelijke groeten,
Hans Slijkhuis

 

Eer aan onze Papoea strijders die voor altijd onze vrienden blijven

Omdat de regering heeft nagelaten te doen, wat ze hadden moeten doen, hebben wij dat zelf maar gedaan..Van één handeling zijn wij afhankelijk van de minister en dat is het toekennen van het NGH kruis aan onze Papoeastrijders overeenkomstig de criteria die daarvoor is gesteld. Rechtsongelijkheid is ontoelaatbaar en heb daarom de onderstaande brief naar Mevr.Eysink gestuurd, lid van de 2e kamer met Veteranenzaken in haar takenpakket. Hopelijk heeft het succes. Het vervolg zal ik u laten weten.

Hans Slijkhuis

De brief

Zeer Geachte Mevrouw Eijsink,

Met gevoelens van eerbied en respect wil ik uw aandacht vragen voor het onderstaande en, waar mogelijk, U vragen daar uw steun en/of advies aan te verlenen.

Op initiatief van de Commandeur van Administrate bd. P.H.Boegborn is er, na een gedane oproep in Checkpoint, een klein commite gevormd, waar ik zelf ook deel van uitmaakte, met als doelstelling om bij het Nationaal Indie Monument (NIM) alsnog een gedenkplaquette te plaatsen voor de omgekomen Papoeastrijders tijdens de jaren 60-62. In november 2011 is dat onthuld en hebben deze mensen het eerbetoon gekregen wat hen toekwam.

Gezien het koloniale verleden van het landgoed Bronbeek, met het tehuis voor oud militairen, was en is het de wens van nagenoeg alle veteranen dat ook daar een zichtbaar teken van erkenning moest komen. Een van de gebouwen is zelfs bestemd voor alle reunies en culturelen bijeenkomsten voor veteranen en Papoeagroepen met de naam “Kumpulang”(samenkomst}

De realisatie is al in een vergevorderd stadium zodat u er vanuit mag gaan dat op 1 oktober 2012 de onthulling op een plechtige wijze zal plaats vinden. Het gehele voortraject is door ons zelf opgezet en afgehandeld. Dan spreek ik over financiën, ontwerp, contacten met Gemeente Arnhem, Commandant Bronbeek, Veteranen instituut en het samenstellen van het commitee van aanbeveling.

Wat echter ontbreek is het toekennen van het Nieuw Guinea Herinneringskruis aan de Papoeastrijders terwijl zij volkomen voldoen aan de gestelde criteria. Dit wordt door alle veteranen en de oud Papoeastrijders gezien als aangedaan onrecht. Wij hebben het volste vertrouwen in U om dit onrecht te herstellen.

Het is mij bekend dat deze mensen moeilijk te traceren zijn en dat het politiek, en voor de mensen zelf die nog in Nieuw Guinea wonen, gevoelig ligt in relatie tot de Republiek Indonesie. In het uiterste geval zou het collectief toekennen van het NHK een juiste oplossing zijn en de onderscheiding, in een later stadium, op het monument aan te brengen.

Ik hoop dat U dit schrijven in welwillende overweging wil nemen en mij hierover wil informeren.

Met vriendelijke groeten en Hoogachting,
Hans Slijkhuis
 

De reactie

Na enkele weken wachten en nog steeds niets gehoord hebbende, heb ik mevr.Eysing zelf maar gebeld en die mij vertelde dat ze de brief wel had gezien maar er verder niets mee kon doen. Het was niet in haar opgekomen mij hierover te berichten zoals ik had gevraagd. Nu ze mij toch aan de lijn had verwees ze mij naar ene Hans Hillen die ik gewoon kon bellen. Daar bedoelde ze waarschijnlijk mee Zijne Excelentie de Minister van Defensie Drs.H.Hillen.Over normen en waarde gesproken!!!!

Dat is nu die mevrouw die veteranenzaken in haar takenpakket heeft. Veel wol doch weinig verf. U hoort nog van mij.

Hans Slijkhuis

Dan maar zo

Ik nam hier geen genoegen mee en belde de Directeur van de Kanselarij van Ridderorde en Eretekens de heer Mr. van Ingen,Dat was een aangenaam gesprek en deze zag geen enkel bezwaar waarna hij die zelfde dag nog in een vergadring met de Minister van Defensie ,die ik zelf ook nog kon spreken, het onderwerp heeft behandeld.De minister had geen enkel bezwaar en de directeur der Kanselarij stuurde mij een bericht dat ons verzoek was  toegestaan en het NNG herinneringskruis alsnog op het monument kon worden geplaatst en op die manier collectief de herinneringsmedaille alsnog aan onze Papoeavrienden kon worden toegekend. Het is op het monument aangebracht,. Het document is in bezit van de voorzitter Joop Bergsma. In twee dagen geregeld.

Hans

Hier gaat het dus om

 

Met dank aan Bertus Peeks, Adjudant onder-officier der mariniers)

Ontoelaatbaar

Op 30 juni 2012 heb ik weer de jaarlijkse veteranendag in den Haag bijgewoond en als ieder jaar er weer van genoten. Het realiseren van zo’n evenement en het voortraject dat daar aan vooraf gaat is geen natte vingerwerk en verdient daarom een groot compliment aan het uitvoerend comité. Tel daar de kosten nog eens bij, dan kan niemand vertellen dat de overheid zijn veteranen vergeet. Dus vergeet niet beste lezer dat er ook maar iemand is die deze dag, en alle voorgaande,niet met voldoening heeft beleefd. Namens alle veteranen is een woord van dank gerechtvaardigd

.
Maar al is het nog zo goed, het kan altijd beter of liever gezegd completer. Bij de meeste veteranen was er toch een gevoel van enig onbehagen hetgeen te wijten was en is aan het volgende.


Op het gedeelte van de tentoonstellingen was ook een gedeelte ingericht die zich bezig houden met het realiseren van een monument voor de gevallen Papoea gidsen op het landgoed Bronbeek. Het NIM heeft dat reeds gedaan in Roermond waar op een zeer plechtige wijze een plaquette is aangebracht ter na gedachtenis van de omgekomen Papoea gidsen en informanten. Voor de locatie van Bronbeek was geen enkele beperking die toelaatbaar waren en kon men foto’s en de Morgenster ( vlag van de Papoea’s) duidelijk aanschouwen. Niemand, maar dan ook niemand die zich daar aan stoorde. Sterker nog! Het werd door iedere bezoeker zeer gewaardeerd

.
Waar een ieder zich aan stoorde was het feit dat voor de ingang van het manifestatieveld een zelf gemaakt tentje stond met enkele beschaafde en fatsoenlijke Papoea mensen die van alle faciliteiten waren verstoten en niet eens het terrein op mochten, zelfs niet voor een sanitair bezoek. Dit is volkomen tegenstrijdig met de presentatie van het eerder vermelde Bronbeek monument. Zij zijn de veteranen alleen maar dankbaar voor hun steun en willen dat op een gepaste manier tot uiting brengen. Ontvang ze dan ook als gasten maar niet als een stelletje paria’s Hoe?


Geef ze ook een plaats op het evenementen terrein en vooral……….laat ze als groep meelopen tijdens het defilé met de Morgenster. De Morgenster was nu ook weer tijdens de parade aanwezig en werd door ZKH Prins Willem Alexander gegroet toen ze de vlag voor hem neigde. Hij werd echter gedragen door een veteraan


Het uitsluiten van deze groep vind ik en alle veteranen ontoelaatbaar gedrag. Zij waren de ogen en oren van de veteranen en gaven daarvoor hun leven. Waren zij er niet geweest dan was onze verlieslijst groter geweest…….veel groter. Vergeet hen niet. Dit bedoel ik met het completer maken. Voor de rest niets anders dan lof.
Hans Slijkhuis

 

Onze eerste vrouwlijke Minister van Defensie

Sedert de laatste verkiezingen in 2012 hebben wij nu een vrouwelijke minister van defensie. Bij mijn weten is dat de eerste in de parlementaire geschiedenis. Het is Hare Excellentie Jeanine Hennis- Plasschaert. Wij hebben als veteraan het volste vertrouwen in deze minister en stellen haar goede wensen voor 2013 zeer op prijs. Dat dit wederzijds is, is vanzelfsprekend.

Zij wenst ons alle goeds voor 2013 wat we moge delen met onze naaste. Heel warm van U. Maar hoe denkt u dat goeds in te vullen in deze crisisperiode? Weet u dat niet? Ik wel!


Als het kabinet nu eens een stop zet op die enorme hoge salarissen voor topambtenaren, het totaal stoppen met gouden handdrukken die gegeven worden wegens wanprestatie en de salarissen niet boven de Balkenendennorm laat uitkomen, en zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen, dan levert dat de schatkist miljoenen op. Een gedeelte reserveert het kabinet dan voor een einde jaaruitkering voor alle veteranen en een mogelijkheid van vrij reizen op het gehele openbaar vervoer.

 Op deze wijze geeft u een juiste invulling aan “Alle goeds voor 2013” Het enige stoffelijke wat ik van defensie heb gekregen is de veteranenspeld die in massaproductie 0,27 euro cent kost. Zijn wij en de gesneuvelde collega’s niet meer waard?


Uw ministerie doet veel voor de veteranen en daar zijn wij dankbaar voor. Denk maar aan de jaarlijkse veteranendagen. Van het aan uw ministerie gelieerde veteranen-instuut/platvorm heb ik, om gegronde reden, geen hoge hoed op. Ondanks dit schrijven kunt u blijven rekenen op de trouw van de strijdkrachten en de veteranen.
Hans Slijkhuis.
 

Korporaal der mariniers Hans Slijkhuis.....toen.

Het eerste Special Forces-Team
Toen eind 1961 de eerste tekenen van een grotere aanval van Indonesie op Nieuw Guinea zich ging aandienen waren de Nederlandse mariniers en andere onderdelen van de Nederlandse Krijgsmacht hier al op voorbereid en werd de huidige troepenaanwezigheid van Nederlandse zijde fors uitgebreid met mankracht, materieel oorlogsschepen en vliegtuigen. De aanvalskracht van de Indonesiërs was vele malen groter maar is nimmer ingezet. Het bleef bij kleinschalige infiltraties op diverse plaatsen aan de westkust van Nieuw Guinea.

 Deze infiltraties werden meteen door de mariniers verijdeld waarbij fikse vuurgevechten de sleutel van het succes was. Voor de mariniers, wel te vertaan. Zij waren dan ook altijd op de kwetsbare plaatsen aanwezig, of snel onderweg. De toen bestaande Verkenningen en Inlichtingen pelotons van de mariniers, hebben daar een enorme bijdragen aangeleverd en ook veel moeten ontberen.

 Omdat de Nederlandse Mariniers bij de tegenstander beducht en gevreesd waren, gingen ze nooit of zeer zelden, en dan nog uit noodzaak, het gevecht met hen aan maar gingen over op het leggen van hinderlagen en waren meestal ontredderd en op de vlucht voor de mariniers.

 Voor de commandant van de 41e INCO, majoor der mariniers C.C.Schoenzetter was dat een reden om zo’n kleine eenheid aan zijn compagnie toe te voegen en maakte van de hem beschikbaar gesteld MP groep een speciale geweergroep met een externe aanvulling van lokale bekwame krachten. Dat was een schot in de roos want hij had direct alle noodzakelijke informatie uit eerste hand en kon daardoor snel handelen. Het was echter niet zonder risico en vuurcontacten hebben dan ook plaats gevonden door mijn team.

 Als commandant dan die groep werd ik door hem aangewezen en had de vrije hand van samenstellen. Ik moest mijn keuzebepaling natuurlijk wel aan hem voorleggen en het toelichten van het hoe en waarom. Van de MP groep koos ik vier man, één korporaal inlichtingendienst, twee Papoea’s van de Mandatjans ( Arfakkers ) voor in de Vogelkop en twee Papoea politieagenten uit Manokwari. Hier opereerde wij mee in het Radja Ampat gebied. In het gebied rond Merauke werden de Arfakkers vervangen door drie Asmatters ( een andere stam ) en de geweldige twee gebroeders Anakkotta die van Amboneese origine waren. Dat waren twee kanjers.

 De opdrachten kregen wij uitsluitend en rechtstreeks van de CC en ik rapporteerde de uitvoering uisluitend aan hem. Dat was de voorwaarde en de afspraak. Wat wij al zo deden kunt u lezen bij het onderwerp “Hinderlaag”bij Moppa” bij mijn verhalen van toen. Dit is slechts een fragment van de vele opdrachten die een heuse bijdragen hebben geleverd aan de strijd voor de vrijheid van de Papeoa’s. Wij noemde onze eenheid dan ook gewoon; geweergroep met bijzondere opdrachten” maar als oude man wil ik toch met de tijd meegaan en heb geen moeite dat men het nu Special Forces-Team noemt.

Bij mijn weten is de 41e inco de enige compagnie geweest die zo’n team had.

Hans Slijkhuis
 

Brief aan de Ombudsman die sinds Juni 2013 ook veteranenzaken in zijn takenpaket heeft.

Zeer Geachte Ombudsman (sstt)
Met gevoelens van respect, eerbied en een vol vertrouwen, wil ik mij met het onderstaande verzoek tot U wenden, waartoe ik mijn ondernomen activiteiten en respons, als bijlagen zal toevoegen zodat u een duidelijk beeld krijgt wat zich speelt en/of heeft gespeeld.

Het betreft het toekennen van de Marinemedaille aan al het Marinepersoneel die voldoen aan de getelde criteria, behoudens de invoeringsdatum en waarvan een groot gedeelte is uitgesloten. Zie
Marinemedaille bij mijn verhalen.

Omdat in de toegezonden bijlagen op de pagina Kombuis alle feiten en gebeurtenissen staan zal ik ze in deze aanbiedingsbrief niet nogmaals noemen om het geheel zo transparant mogelijk te houden.

Ik moge U echter verzoeke het geheel nog eens op zijn juistheid te beoordelen en die handelingen te doen die er toe leiden dat er een bindende uitspraak wordt gedaan die er toe zal leiden dat aan de voorgestelde  toekenningdatum door de Veteranen wordt voldaan en er geen rechtsongelijkheid wordt toegepast zoals dat nu het geval is.

Hopende dat U dit schrijven in welwillende overweging wil nemen en mij hier over wil berichten verblijf ik met de meeste gevoelens van Hoogachting,

H.J.Slijkhuis
Sergeant Majoor der Mariniers bd.
Luxemburgweg 69
3137 AB Vlaardingen.
010-4744354

 

Radja Ampat

Radja Ampat.
De Radja Ampat is een eilandengroep ten noord westen van Nieuw Guinea . Het bestaat uit de eilanden Salawati, Batanta, Misool en Waigeo. Radja Ampat betekent Vier Koningen en zijn ook de vier voornaamste eilanden in dat gebied dat verder doorweven was van honderden andere kleine eilanden. Mijn speciale geweergroep was toegevoegd aan VERPEL 411. Het geheel grensde het dichts tegen Indonesië aan door het Nederlandse eilandje Gag dat uiterst noordelijk lag in dat archipelgebied en Gébé als uiterst zuid van het Indonesisch grondgebied. De onderlinge afstand was slechts enkele tientallen kilometers.

De uitvalbasis van Indonesië was dan ook Gébé richting Gag. De mariniers hadden daar dan ook een sterke weerstand geplaatst en nog eens voorzien van een permanente steun van twee torpedojagers en luchtsteun van de MLD met hun Neptunes. De compagniescommandant, die op Batanta zat, stuurde versterking naar Gag waaronder ook mijn speciale geweergroep. Ondanks onze goede verdediging zag de vijand toch kans met kleine eenheden landingen uit te voeren die door de mariniers werden verijdeld met pittige vuurgevechten en  waarbij diverse gevangenen werden gemaakt.  Van onze kant waren er geen verliezen.

 Toen de vijand er achter kwam dat zulke operaties geen optie waren gingen ze over om eerst een luchtaanval te doen en daarna een landing. Zo werd op een zondagmiddag door twee Indonesische Mitchel bommenwerpers een LCPR van ons, die bij het bivak was afgemeerd, onder vuur genomen. Bij het inzetten van hun luchtaanval kwam de moedige bemanning meteen in actie en opende het vuur op de vijand waarmee deze operatie een mislukking was. Bij ons was, naar ik meen, slechts één lichtgewonden.

Voor onze compagniescommandant was dat het signaal nog meer troepen naar Gag te sturen en waren er geen vijandelijke luchtaanvallen meer. Wel kwamen er meer landingen van kleine vijandelijke eenheden die gezamenlijk een flinke gevechtsgroep vormde. Bij het bestrijden van deze eenheden heb ik met mijn speciale geweergroep ook deelgenomen alsmede de collega’s van het PVK.

 Na verloop van enkele weken ben ik weer met mijn groep naar Waigeo gegaan en kan u dus niets vertellen hoe het verder is verlopen. Wel veel gehoord hoe het daar verder is verlopen, maar ik wil u alleen vertellen wat ik zelf heb ervaren en wil niet meeliften op de daden van mijn dierbare collega’s


Waigeo was oorspronkelijk ons operationeel basisbivak en als zodanig ingericht. Zeg maar een soort tentenkamp dat met eenvoudige middelen aan de levensbehoefte was voorzien. Denk hierbij aan een doucheruimte, toilet, electra middels een generator, vlaggenmast enz. De dagelijkse dienst werd gewoon uitgevoerd met uitzondering dat er iedere dag patrouilles werden uitgezonden en wachtposten werden verdubbeld. Het bivak was aan zee gelegen en voorzien van een zelfgemaakte steiger voor het afmeren van de LCPR en de rubberboten. Ook was er een eenvoudig verbindingscentrum en een ziekenboeg en de totale bezetting was zo’n 50 man. Een vredig rustoord zou u zeggen. Als het niet te lang duurde was het dat ook in vergelijking met een meerdaagse patrouille. Maar er gebeurde ook wel eens iets dat een meerdaagse patrouille in verre overtrof. Lees dus het onderstaande waar gebeurde verhaal.


Op een namiddag werd ik door opvolgend compagniescommandant (OCC), die bivakcommandant was, ontboden en die mij vertelde dat er diverse patrouilles op pad waren en dat hij ook met een patrouille wegging. Gedurende zijn afwezigheid had ik het bevel over het zeer uitgedunde bivak en moes er wel rekening mee houden dat een vijandelijke eenheid het bivak zou kunnen aanvallen. In het bivak was eten en drinken voldoende en tevens een flink arsenaal aan wapens en munitie. Wij wisten ook dat er verdwaalde vijandelijke eenheden op het eiland waren, vandaar die patrouilles en dat deze situatie ook bij de vijand bekend zou kunnen zijn. De ervaring had dat ons geleerd.

Ik had echter ook gezien dat bij het afmeren van de LCPR, die van Batanta kwam, een officier en een onderofficier van de mariniers aan wal stapte en zich, in afzondering, melde bij de OCC. Mijn reactie tegenover de OCC was dan ook dat er ook een officier en een onderofficier waren gearriveerd die hij mogelijk over het hoofd had gezien. Hij nam mij bij mijn schouder en nam mij even apart en deelde mij mede dat beide personen uit hun functie waren gezet  door de CC op Batanta en per eerste gelegenheid zouden worden afgevoerd naar Sorong en dat ik moest handelen naar omstandigheden en van hen geen orders hoefde aan te nemen. De reden van deze mutatie heeft hij mij niet verteld. Voor persoonlijke beveiliging mochten ze wel gewapend blijven.

 Ik kon beide personen en had een vermoeden waarom ze uit hun functie werden gezet. Achteraf bleek dat vermoeden juist te zijn. Ik nam persoonlijk met beide heren contact op en vertelde hun over de ontstane situatie. Ze hebben mij noch de mariniers enige last bezorgd. De volgend dag zijn beide personen per LCPR afgevoerd naar Sorong en heb ze nimmer meer gezien.

Nadat de OCC met zijn patrouille was vertrokken maakte ik een wachtindeling van dubbelposten rond om het bivak inclusief de zeezijde. Zou de vijand kennis hebben genomen van onze uitgaande patrouilles dan zou dit de ideale plaats zijn voor een eventuele infiltratie door de vijand want tegenover de steiger lag, op enkele kilometers afstand, het bewoonde eiland Bianti, waarvan er diversen sympathiseerde met de indringers en onze bewegingen redelijk goed konden waarnemen en doorgeven. Indien dat zou gebeuren zouden ze door ons feestelijk worden ontvangen want die hele open zeezijde had ik afgegrendeld met alles wat kon vuren. Ik zei al eerder dat we veel wapens en voeding in het basisbivak hadden waaronder veel mitrailleurs, mortieren, bazoeka’s en andere schoudervuurwapens en dan natuurlijk de persoonlijke bewapening.

 Er was echter niemand die dacht aan een nachtelijke aanval op het bivak en rond middernacht ging iedereen, behoudens de wachtposten, naar zijn mandje. Één naam wil ik extra noemen en dat is van de toen korporaal van de verbindingsdienst Vrije. Toen iedereen zijn slaapplekje had opgezocht kwam kort daarna de korporaal Groenenveld naar mij toe en zei; “Hans ze komen er aan” Toen ik vroeg “Wie” was zijn antwoordt” Sinterklaas, maar dan met een MTB uit Indonesië”. Ik gaf gelijk het bevel stil alarm voor een ieder en ging als een haas naar Vrije om uitleg want vooraf was er een order gekomen van de Commandant Strijdkrachten NNG dat er die avond en nacht geen vaar en luchtverkeer in het gehele Radja Ampatgebied en dat alleen Hr.Ms. Groningen en de Friesland de zeevlakte tussen Gag en Gébé bewaakten. Op weg naar de verbindingstent zag ik wel het silhouet van een MTB en gaf de opdracht het vuur te openen op mijn commando.

 Een ieder had zijn positie ingenomen en we konden beginnen. Omdat de eerste klap een daalder waard is wilde ik de vuuropening maken. Ondanks de ernstoperatie bleef Vrije ongedwongen verbinding houden met de staf met steeds weer het zelfde antwoordt “Geen vlieg en vaar activiteiten in de gehele Radja Ampat” Die man was zo rustig, bekwaam en onwankelbaar dat zijn uitspraak als waarheid diende. Toen kwam er een radio en verbindingsstilte en was het verder handelen aan mij.

 Ik begaf mij met een marinier wat dichter naar de steiger om mij goed te orienteren en hoorde toen gesprekken in het Maleis. Het schip had het model van een MTB, Maleise taal en geen vaaraktiviteiten onzerzijds was voor mij het teken om mijn eigen positie in te nemen en het vuur te openen. Engeltjes bestaan want ik had er een op mijn schouder zitten. Toen ik mij naar onze eigen vuurlinie liep hoorde ik Nederlands praten op die “MTB” Ik ging terug en sprak ze aan wie ze waren. In het Nederlands. Ik hoorde toen de stem van de korporaal der mariniers Jan van Rheenen van de bevoorrading in Sorong en van en van Jos van Haaren die, als sergt. cameraman was bij de marinevoorlichtingsdiens. Om zekerheid te krijgen van hun identiteit stelde ik nog enkele persoonsgerichte vragen hetgeen voor mij het groene licht betekende. Hoe kan dit gebeuren? De Politie in NNG had een eigen vaartuig met de naam: ‘DE POOL: die regelmatig de buitenposten van de politie op de kleine eilanden bezocht en hand en spandiensten verrichten voor mariniers en KL eenheden. Die hadden ook verbinding aan boord met deskundig personeel. Die waren op weg om enkele politie eenheden af te lossen op de kleine eilanden en namen ook kleding en voeding mee voor het bivak op Waigeo maar die waren niet van dat bericht op de hoogte gesteld en wisten het dus ook niet. Omdat dat ik overwegend Maleis hoorde praten had als oorzaak dat er een peloton Papoea-agenten aan boord was. Die politieboot had nagenoeg de zelfde bouw als een MTB. Ik heb de verdedigingslinie op laten ruimen en zijn gaan snurken. De volgende dag vertrok de POOL weer waarbij Jan van Rheenen opmerkte: ‘Al loop je in je blote reet, ik kom hier nooit meer”. Bij terugkeer van de OCC met zijn patrouille heb ik hem dit gemeld en gingen over tot de orde van de dag.

Met groeten,Hans.